De scheepvaart, bron van bestaan voor de stad Gouda
Vanouds is Gouda een typische waterstad, gunstig gelegen aan de samenvloeiing van Gouwe en IJssel. Als gevolg van het doortrekken van de Gouwe tot aan de Oude Rijn, al voor 1233, kreeg Holland er een nieuwe en belangrijke noord-zuidverbinding bij.

Toen graaf Floris V op 19 juli 1272 aan Gouda stadsrechten verleende, was een van de belangrijkste privileges de vrijstelling van tolgeld voor eigen schepen en goederen. Al in de 13de eeuw was men begonnen met de aanleg van dijken en de bouw van sluizen in de Gouwe. Een van de oudste is de keersluis waar de Gouwe in verbinding staat met de Oude Rijn, nu nog bekend als Gouwsluis.
Vaste route
De Donkere Sluis in Gouda was bij de schippers berucht om het lange oponthoud. Daarin kwam pas verbetering toen in 1436 in de Gouwe het Amsterdams Verlaat werd gebouwd.
De steden Alkmaar, Amsterdam, Edam, Haarlem, Hoorn, Leiden, Medemblik en ook Gouda zelf brachten hiervoor de nodige gelden bijeen. Hieruit blijkt hoe belangrijk deze route was voor de doorvaart van noord naar zuid.
Omdat de overheid bepaalde vaarwegen verplicht stelde, waren de schippers gedwongen een vaste route te volgen. Om van Dordrecht naar Amsterdam te varen gingen de schippers via de Hollandsche IJssel, de Gouwe, de Oude Rijn, de Brasemer- en de Haarlemmermeer, het Spaarne en het IJ, opdat de graaf van Holland zijn inkomsten uit de tollen zou verkrijgen. Voor Gouda en Haarlem vormde die verplichte route een zekere, maar bescheiden bron van welvaart. Veel eigenaars van winkels en bedrijven langs de vaarroute door Gouda hadden, in tegenstelling tot de schippers, geen bezwaar tegen het lange oponthoud; het kwam hun omzet ten goede. De schippers hadden volop tijd om aan wal te gaan en daar hun levensmiddelen-voorraad aan te vullen, andere inkopen te doen of de noodzakelijke reparaties aan hun schepen te laten verrichten. Wellicht bleef er nog genoeg tijd over voor een bezoek aan een van de vele herbergen voor het drinken van een of meer pinten Gouds kuytbier.
Prins Willem van Oranje
Tijdens het ontzet van Leiden in 1574 vormde de vertragende doorvaart in Gouda een obstakel voor de oorlogsschepen. Prins Willem van Oranje drong er daarom bij het stadsbestuur sterk op aan een tweede sluis te bouwen (de Mallegatsluis). Deze kwam er in 1577, op de plaats van een oude dijkdoorbraak. Handelsschepen mochten van deze
voorziening echter geen gebruik maken, zij waren verplicht door de stad te varen. Dit verbod werd pas in 1598 opgeheven, onder voorwaarde dat de schepen 36 uur te Gouda bleven liggen. Dan kon de schipper op het stadhuis een consent halen, waarvoor hij "armengeld" moest betalen. Dit consentrecht werd in 1795 afgeschaft. Toen werden ook de grafelijke tollen opgeheven.

Einde scheepvaart door Goudse grachten
Er kwam een einde aan het systeem waarin plaatselijke belangen zwaarder wogen dan het algemene landsbelang. Het was voor Gouda afgelopen met de verplichte doorvaart via Haven en Gouwe. Met het gereed komen van de Julianasluis en het Gouwekanaal kwam in 1936 ook een einde aan de scheepvaart door de Goudse grachten. Toen in het jaar 1884 de Mallegatsluis een grondige reparatie onderging, was deze drie maanden voor het scheepvaartverkeer gesloten en moesten alle schepen weer de stadsroute volgen. Gedurende deze periode passeerden niet minder dan 7950 schepen de Donkere Sluis.
Tot in het begin van deze eeuw was de Veerstal nog een voorbeeld van bedrijvigheid tengevolge van de scheepvaart. De hier gevestigde zakenlieden, zoals sigarenwinkelier, kapper, zeilmaker, kruidenier, bakker, slijter, cafehouder enz., hadden zelfs toen nog veel betekenis voor de schippers. Pas toen het wegvervoer op grote schaal zijn intrede deed kwam hierin verandering.
